Openbaar eindverslag · Ramplaankwartier, Haarlem

Het Zonnewarmtenet in het Ramplaankwartier

Wat we leerden van een 5e-generatie zonnewarmtenet in bestaande bouw, en waarom de wijk uiteindelijk koos voor een andere route.

Circa 1.150 woningen 2020–2025 onderzocht & ontworpen Besluit juni 2025
Luchtfoto van het Ramplaankwartier in Haarlem: een waaiervormig stratenpatroon met overwegend vooroorlogse rijwoningen met oranje pannendaken, omzoomd door groen.

In het Ramplaankwartier in Haarlem (circa 1.150 overwegend vooroorlogse woningen) is tussen 2020 en 2025 een wijkbreed, zeer-lage-temperatuur (ZLT) zonnewarmtenet onderzocht en ontworpen. In juni 2025 viel het besluit om dit net niet aan te leggen. Dit verslag vertelt het hele verhaal: hoe het concept werkt, wat we ontdekten, en wat andere wijken eruit kunnen meenemen.

Samenvatting

In het kort

Een op papier aantrekkelijk concept bleek in de praktijk niet haalbaar. Vier knelpunten leidden tot het besluit, en ze versterkten elkaar:

1

Onrendabele business case

De aanlegkosten van het wijknet vielen in een markttoets door aannemers ongeveer twee keer hoger uit dan de ontwerpraming. Zelfs het maximaal toegestane vastrecht zou dan onvoldoende zijn.

2

Te lage toegevoegde waarde

Het efficiëntievoordeel van het net en de besparing op PVT-panelen wogen niet op tegen dat vastrecht. Een individuele oplossing bleek goedkoper.

3

Afnemende noodzaak

Nieuwe propaanwarmtepompen en betere PVT-panelen maken individuele oplossingen ook in minder goed geïsoleerde woningen haalbaar.

4

Tariefwetgeving niet geschikt

De wet staat bij dit type net alleen een vast tarief per vermogen toe, waardoor een eerlijke verrekening van opgewekte én afgenomen warmte juridisch kwetsbaar is.

De overkoepelende les: de toegevoegde waarde van een collectief net in bestaande bouw moet scherp afgewogen worden tegen de individuele oplossingen die bewoners ook binnen handbereik hebben. Biedt een warmtenet vanuit eindgebruikerskosten voldoende toegvoegde waarde gegeven het vastrecht dat moet worden betaald? Voor beleidsmakers: individuele oplossingen hebben aanzienlijk minder subsidie nodig, waarmee de maatschappelijke voordelen van een warmtenet heel evident moeten zijn om deze optie te prefereren.

De wijk

Overwegend vooroorlogse bouw

Het Ramplaankwartier is een woonwijk in Haarlem met circa 1.150 woningen, grotendeels gebouwd vóór 1940. Het zijn overwegend rijwoningen met zadeldaken. Juist die bestaande, deels minder goed geïsoleerde bouw maakt de warmtetransitie hier uitdagend, en is de reden dat de wijk op zoek ging naar een betaalbare, opschaalbare oplossing.

Kaart van het Ramplaankwartier waarop de woningen zijn gekleurd naar bouwjaar; het overgrote deel is rood en oranje (gebouwd vóór 1940).
Bouwjaar van de woningen: het overgrote deel dateert van vóór 1940 (rood en oranje).

Vooroorlogse rijwoning in het Ramplaankwartier met bakstenen gevel, pannendak en dakkapellen. Bakstenen rijwoning in het Ramplaankwartier met dakkapel en geparkeerde auto's voor de deur. Vrijstaande bakstenen woning in het Ramplaankwartier met pannendak en voortuin in de herfst. Rij woningen in het Ramplaankwartier met PVT-panelen op een besneeuwd pannendak. Bakstenen rijwoning in het Ramplaankwartier met donkere kozijnen en een voortuin. Straatbeeld in het Ramplaankwartier: een rij bakstenen woningen met op veel daken al PVT-panelen.
Woningen in het Ramplaankwartier: overwegend vooroorlogse rijwoningen met bakstenen gevels en pannendaken — op steeds meer daken liggen al PVT-panelen.
Het concept

Hoe werkt een zonnewarmtenet?

Schematische illustratie 'Hoe werkt het Zonnewarmtenet?' met drie seizoenen: in de zomer wekken PVT-panelen warmte op die via het wijkwarmtenet in de WKO (ca. 100 m diep) wordt opgeslagen; in het tussenseizoen wordt zonnewarmte direct gebruikt; in de winter haalt de warmtepomp warmte uit de WKO en waardeert die op naar circa 55 °C voor verwarming en warm water. Pijlen tonen de warme (16-18 °C) en koude (12 °C) stromen door de wijk.
Het zonnewarmtenet door de seizoenen heen (zomer, tussenseizoen, winter). De tekening toont het basisprincipe uit een eerdere ontwerpfase. In het uiteindelijke ontwerp lag de nettemperatuur lager (rond 13 °C) en werd het net centraal op druk gehouden, waardoor de aanvoer óf warm óf koud is in plaats van gelijktijdig beide (zie “Het verhaal: van concept tot besluit”).

Een zonnewarmtenet is een collectief warmtenet voor een hele wijk, op een heel lage temperatuur. De gedachte erachter is simpel samen te vatten in drie principes:

  • De zon is de bron. Warmte wordt in de wijk zelf opgewekt met PVT-panelen op de daken van bewoners. Een PVT-paneel levert zowel elektriciteit als warmte (de “T” staat voor thermisch).
  • De aarde is de batterij. Overtollige warmte wordt opgeslagen in de bodem, in een warmte-koudeopslag (WKO). In de winter wordt die opslag weer benut.
  • Water is de energiedrager. Het net transporteert de warmte op lage temperatuur door de wijk, met weinig tot geen warmteverlies.

Omdat de temperatuur in het net laag is, waardeert in elke woning een warmtepomp de bronwarmte op naar de temperatuur die nodig is om te verwarmen. Het bijzondere is dat bewoners zowel leverancier als afnemer zijn: wie veel PVT-panelen op het dak heeft, levert warmte aan het net; wie warmte nodig heeft, neemt af. Zo’n net waarin bewoners beide rollen vervullen heet een 5e-generatie of “prosumer”-net.

Een zonnewarmtenet werkt het best als woningen redelijk tot goed geïsoleerd zijn en de wijk dicht genoeg bebouwd is. Het grote voordeel is dat het geen externe hoge-temperatuurbron nodig heeft, die in de meeste Nederlandse wijken ontbreekt.

Het systeem op drie niveaus

  • De woninginstallatie: warmtepomp, buffervat en PVT-panelen. Dit deel verwarmt de woning.
  • De afleverset: koppelt de woning aan het wijknet en stuurt de warmtestromen (van de PVT panelen naar de warmtepomp, van het net naar de warmtepomp, en van de PVT panelen terug naar het net).
  • Het wijkenergiesysteem: de warmte- en koudeleidingen, de WKO-bronnen en een buurtwarmtecentrale die de balans in het net bewaakt. Slimme software verdeelt en transporteert de warmte.
Illustratie van de installatie in een woning: PVT-panelen op het schuine pannendak, met binnen een warmtepomp en een buffervat verbonden door leidingen.
De installatie in de woning: PVT-panelen op het dak, met binnen een warmtepomp en een buffervat.

De seizoenscyclus

In de zomer levert de zon veel meer warmte dan de wijk nodig heeft; het overschot gaat de WKO in. In de winter is de PVT-opbrengst laag en wordt de opgeslagen warmte aangesproken. In het tussenseizoen wordt zonnewarmte grotendeels direct gebruikt. Het systeem is zo ingeregeld dat de bodem op jaarbasis in balans blijft: wat er in de zomer in gaat, komt er in de winter weer uit.

De ambitie

Een compleet werkend wijknet

Het doel was een compleet werkend wijknet met tenminste 800 aangesloten woningen op twee WKO-bronnen. Bewoners zouden met eigen PVT-panelen warmte opwekken, opslaan en delen, met leveringszekerheid doordat de bronnen onderling gekoppeld zijn. Slimme software zou de opwek optimaal verdelen. Een brede bewonersaanpak moest mensen helpen bij isolatie en de overstap.

De tijdlijn

Het verhaal: van concept tot besluit

Elke stap is een korte mijlpaal; samen vertellen ze waarom de uiteindelijke knelpunten ontstonden. De conceptwijziging en de markttoets waren de kantelpunten.

Eind 2023

Programma van eisen

Het projectteam legt vast hoe het systeem moet werken: betrouwbaarheid, beheer, veiligheid, monitoring en de grens tussen straat en woning.

Lees meer

In de voorbereidingsfase stelde het projectteam een programma van eisen (PvE) op als functionele en technische basis voor het verdere ontwerp en de inkoopvoorbereiding van het Zonnewarmtenet.

Het PvE beschrijft de beoogde systeemwerking en de randvoorwaarden — waaronder de scope en de demarcatie tussen openbare ruimte en woningcomponenten — en de eisen voor betrouwbaarheid, beheerbaarheid, veiligheid, onderhoud, monitoring/regeling en gegevensuitwisseling. Daarmee diende het als gemeenschappelijk referentiekader voor de marktconsultatie, de uitwerking van het schetsontwerp en de latere kavel- en contractafbakening, zodat ontwerpkeuzes en aanbiedingen van marktpartijen onderling vergelijkbaar werden.

Begin 2024

Marktconsultatie

Gesprekken met de markt leveren drie inzichten op. Pompen in elke woning (om het net op druk te houden) worden afgeraden: te complex, te storingsgevoelig, onderdelen nog niet beschikbaar. Isolatie van de leidingen loont waarschijnlijk niet. En voor zo’n innovatief ontwerp heeft een bouwteam de voorkeur boven een klassieke aanbesteding.

Lees meer

Het projectteam doorliep een marktconsultatie om een inkoopplan voor het wijknet te maken en de grootste technische en contractuele risico’s vroegtijdig te reduceren. Er zijn gesprekken gevoerd met diverse marktpartijen, met drie aanbevelingen als resultaat:

  • Het oorspronkelijke ontwerp ging uit van het decentraal op druk houden van het net via een pompfunctie in de afleversets bij de woningen. Dit werd afgeraden: de benodigde onderdelen waren nog niet leverbaar en moesten worden ontwikkeld, de doorlooptijd zou lang en de levensduur kort zijn, de storingsgevoeligheid voor het hele systeem groot, de kosten lang onzeker, en de pompen zouden tegen elkaar in kunnen werken. Afstappen van decentrale drukregeling zou de complexiteit sterk verlagen en de levensduur verlengen.
  • Het isoleren van het distributienet had bij het beoogde temperatuurregime waarschijnlijk geen gunstige kosten-batenverhouding.
  • Een klassieke tender paste slecht bij dit innovatieve ontwerp, omdat de vraagspecificatie nog niet volledig was uitgekristalliseerd. Marktpartijen gaven de voorkeur aan een bouwteam-aanpak met ontwikkelvergoeding en prijsbandbreedtes, gekoppeld aan een outputgerichte specificatie per kavel.
Voorjaar 2024 Kantelpunt

Conceptwijziging

Het net wordt voortaan centraal op druk gehouden in plaats van per woning. Dat vereenvoudigt de installatie in de woning sterk. Een keerzijde: het net kan niet tegelijk een warme én een koude leiding voeden. Een voordeel: de temperatuur in het net kan omlaag (van circa 18 naar circa 13 graden), waardoor de PVT-panelen meer uren per jaar productief zijn.

Lees meer

De mogelijke verandering van de functie van de afleverset leidde tot een conceptwijziging, waarvan de gevolgen eerst in beeld moesten komen. Na een aanvullende studie en een verdiepende expertconsultatie in mei 2024 is definitief besloten over te stappen op een concept met een centrale distributiepomp.

Gevolg: het wijknet kan niet gelijktijdig een warme- én een koudeleiding op druk houden — de aanvoerleiding is óf warm (winterse dagen) óf koud (zomerse dagen). Dit beperkt de levering aan woningen zonder PVT en de zomerregeneratie voor PVT-woningen met koelwens. Het werd als beperkt nadeel beoordeeld, omdat er in de wijk weinig vraag is naar warmte in de zomer of koude in de winter.

Een belangrijk voordeel: de minimale aanvoertemperatuur voor opslag in de bodem kon dalen van circa 18 °C naar circa 13 °C. Bij die lagere brontemperatuur maken de PVT-panelen meer productieve uren, omdat er meer uren zijn waarin de buitenlucht warmer is dan de nettemperatuur. Het rendement van de warmtepomp verandert daarbij nauwelijks: het gaat om het temperatuurverschil (delta-T) dat de warmtepomp haalt, en dat is bij 13 °C niet wezenlijk anders dan bij 18 °C.

Maart–juni 2024

Proefboring

Door de nabijheid van de duinen is de ondergrond moeilijk te voorspellen (de grens tussen zoet en zout water). Een proefboring is nodig om zekerheid te krijgen. De uitkomst is gunstig: de bodem blijkt zeer geschikt, waardoor twee in plaats van drie bronnen volstaan.

Lees meer

Voor het ontwerp van de WKO-bronnen werd in maart–april een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. In april 2024 bleek dat er onvoldoende informatie was over het watervoerend pakket in de ondergrond: door de nabijheid van de duinen werd de zoet/zout-grens als onvoorspelbaar beschouwd.

Daardoor kon niet met voldoende zekerheid worden bepaald hoeveel bronnen nodig waren en welke risico’s (zoals tegenvallende capaciteit) acceptabel waren. Ook het risico op verstopping of putfalen was aanleiding voor aanvullende metingen. Een proefboring werd daarom noodzakelijk.

De boring is uitgevoerd tussen 5 en 14 juni 2024 en pakte gunstig uit: de ondergrond bleek zeer geschikt, waardoor twee in plaats van drie bronnen volstonden.

Oktober 2024

Schetsontwerp 1.0

Het eerste volledige ontwerp is klaar: bronnen, buurtwarmtecentrale en distributienet. Twee zaken ontbreken nog: een volwaardig energiemodel en een nauwkeurige uitwerking van de installatie in de woning.

Lees meer

In oktober 2024 was de eerste volledige versie van het schetsontwerp (v1.0) gereed. Die bevatte de technische specificaties van de WKO-bronnen, de buurtwarmtecentrale (met onder meer scheidingswisselaars, distributiepompen, een regeneratievoorziening en elektrische en bouwkundige voorzieningen) en het distributienet (netstructuur, huisaansluitingen, materiaalkeuze, isoleren/segmenteren en een aparte kostenraming), plus een functioneel hoofdstuk met bedrijfsstanden.

Twee belangrijke elementen ontbraken nog: een volwaardig energiemodel, en een nauwkeurige specificatie van de huisgebonden installatie (afleverset, koppelmodule, warmtepomp en de regeling daarvan via het energiemanagementsysteem).

Zomer 2024

Centrale regeneratie onderzocht

Omdat onzeker is hoeveel PVT-panelen bewoners zullen plaatsen, wordt een centrale manier onderzocht om de WKO aan te vullen (een lucht-water-warmtepomp, een drycooler of “power-to-heat”). Centrale aanvulling geeft meer grip op de balans en haalt druk weg bij bewoners.

Lees meer

De benodigde hoeveelheid PVT was een onzekerheid: in 2024 was nog niet duidelijk voor hoeveel regeneratie PVT energetisch precies kon zorgen, en de hoeveelheid die bewoners zouden installeren zou pas bij volloop blijken. Om onbalans in de bodem te voorkomen, is in de zomer van 2024 een studie gedaan naar aanvullende regeneratieopties: een lucht-water-warmtepomp, een drycooler en “power-to-heat”.

Centrale regeneratie heeft strategische voordelen voor Zonnewarmte: meer sturing op de nettemperatuur en de warmtebalans in de bronnen, een grotere kans op een soepel vergunningtraject, en minder financiële en ruimtelijke druk bij bewoners om de beoogde PVT-aantallen te halen.

Aanvankelijk kwam de lucht-water-warmtepomp als voorkeur naar voren. Later sprak het projectteam op basis van de kosten toch een voorkeur uit voor drycoolers, ondanks dat die op warme dagen met PVT ‘concurreren’ om de laadcapaciteit van de WKO.

Najaar 2024 – voorjaar 2025

Het energiemodel

De eerste berekening ging uit van verouderde warmtepompen en kwam uit op 16 m² PVT-panelen per woning, te veel voor een rendabele situatie. Met modernere warmtepompen en een preciezere nettemperatuur daalt dit naar 9 tot 12,5 m² per woning. Een verbeterd model (een uursimulatie) brengt de werkelijke meerwaarde van het net in beeld.

Lees meer

Het energiemodel moet laten zien hoeveel energie wordt gebruikt en opgewekt, waar verliezen optreden en hoe de energiebalans tot stand komt — cruciaal voor een ‘prosumer’-net waarin levering door het net, teruglevering uit PVT en eigen PVT-gebruik samenspelen. De modellering bleek complexer dan gedacht.

In versie 1.0 zat een fundamentele onzekerheid over de regeling van de warmtepomp, met name de delta-T (het verschil tussen de in- en uitgaande verdampertemperatuur). Met een lage delta-T (kleiner dan 1 Kelvin), passend bij oudere warmtepompen, kwam het model uit op 16 m² PVT per woning — een onrendabele business case. Aanvullend marktonderzoek liet zien dat modernere warmtepompen een delta-T van 5 Kelvin of beter halen. Samen met een preciezere nettemperatuur (11,5–12,5 °C) daalde het benodigde PVT-oppervlak naar 9 tot 12,5 m² per woning.

Een verbeterd model 2.0 — een uursimulatie voor een standaardwoning over meerdere klimaatjaren, met een variabel berekende warmtepomp-COP — bracht de werkelijke meerwaarde van het net in beeld. In een koud jaar bespaart het net circa 570 kWh elektriciteit per woning (bij € 0,35/kWh ongeveer € 200 per jaar), in een warm jaar circa 415 kWh (ongeveer € 145 per jaar). Ook het benodigde aansluitvermogen daalt: circa 1,8 kW met het net tegenover circa 3,3 kW bij een individueel systeem.

Eind 2024 – begin 2025

De afleverset

Het onderdeel dat in de woning de stromen stuurt, bestaat nog niet en moet worden ontwikkeld. Bij navraag blijkt geen enkele leverancier bereid hier een garantie op te geven, gezien de kleine oplage en het nieuwe ontwerp. Dat is een onaanvaardbaar risico.

Lees meer

De afleverset schakelt en regelt in de woning tussen PVT, warmtepomp en wijknet: wanneer de warmtepomp bronwarmte uit de PVT gebruikt, wanneer ze warmte aan het net onttrekt, en wanneer de PVT warmte aan het net teruglevert. Hij bestaat uit twee delen. Het ‘buitendeel’ verbindt de woning met het wijknet en werd door de conceptwijziging sterk vereenvoudigd tot een klassieke afleverset. Het ‘binnendeel’ (de koppelmodule) bij de warmtepomp en PVT stuurt de stromen, inclusief het schakelen tussen brongebruik en teruglevering.

Dat binnendeel was nog niet op de markt en moest worden ontwikkeld. Toen de specificaties helder waren, volgde een marktconsultatie. Daaruit bleek dat leveranciers — gezien de vooralsnog beperkte oplage en het innovatieve karakter van het ontwerp — geen garantie op de afleverset wilden geven. Dat vormde een onacceptabel risico voor bewoners en het project.

Daar komt bij dat de afleverset elke 15 jaar moet worden vervangen, wat hem extra gevoelig maakt voor de business case.

Begin 2025 Kantelpunt

Markttoets op de kosten

De ontwerpraming zit al aan de bovenkant van wat haalbaar is. Twee aannemers wordt gevraagd of er ruimte naar beneden zit. Het tegendeel blijkt: de kosten verdubbelen bijna.

Lees meer

De kostenraming van het ingenieursbureau kwam boven de eerder ingeschatte bandbreedte uit — mede doordat de marktrente sinds de eerdere studie met meer dan 2,5 procentpunt was gestegen. Om te onderzoeken of er neerwaartse ruimte was, is bij twee marktpartijen een second opinion gevraagd. Het tegendeel bleek waar.

De aannemer schatte vooral het grondwerk veel hoger in: de raming van het ingenieursbureau ging volgens de aannemer uit van een onrealistisch hoog graaftempo zonder complicaties — realistisch voor nieuwbouw, niet voor het Ramplaankwartier. Ook de materiaalkosten voor het distributienet lagen hoger, en de kosten voor tuinherstel bij de huisaansluitingen lagen volgens ervaringscijfers vier keer hoger.

In totaal kwam de eerste aannemer op bijna een verdubbeling: € 18,7 miljoen tegenover € 7,5 miljoen. Een tweede aannemer kwam met eigen software op circa € 9 miljoen exclusief veel risico’s en meerwerk; inclusief het voorzienbare meerwerk geschat op circa € 11,5 miljoen.

Voorjaar 2025

De beslissing

Te duur ten opzichte van de meerwaarde, geen garantie op de afleverset, en een individuele oplossing die snel beter wordt. In juni 2025 valt het besluit: het wijkbrede net wordt niet aangelegd. De wijk gaat op zoek naar een alternatief.

Lees meer

In het voorjaar van 2025 drong de conclusie zich op dat het ZLT-net te duur werd ten opzichte van de meerwaarde voor bewoners, vergeleken met een stand-alone all-electric oplossing. Daarbij wilden leveranciers geen garantie op de afleverset geven, en de opkomst van de propaanwarmtepomp — die een hogere temperatuuropwaardering (tot circa 70 °C) levert — verminderde de noodzaak van een warmtenet voor minder goed geïsoleerde woningen verder.

Ter voorbereiding van de go/no-go is de business case nog eenmaal door een externe partij getoetst en zijn alternatieve warmtetechnieken verkend. In de stuurgroep met wijkbewoners en de gemeente Haarlem viel in juni 2025 een ‘no go’: het wijkbrede ZLT-net wordt niet in deze vorm aangelegd.

Daarna is verkend of een modulair ZLT-net haalbaar is. Die optie wordt nog onderzocht en ziet er kansrijk uit.

De kern

Waarom het niet doorging: vier knelpunten

De vier knelpunten staan niet los van elkaar; ze versterkten elkaar. De business case zat al aan de bovenkant van de bandbreedte; de kostenverdubbeling duwde hem er definitief overheen. Tegelijk kromp de meerwaarde van twee kanten: het voordeel van het net was beperkt, terwijl het individuele alternatief snel beter werd. Daar bovenop kon de wet de prosumer-waarde niet eerlijk verrekenen.

1

De business case werd onrendabel

De kosten voor het distributienet liepen in drie stappen op: van de oorspronkelijke studie, via het schetsontwerp, naar de markttoets door aannemers.

Kosten per woning: studie, schetsontwerp en markttoets
ComponentStudie
(2020)
Schetsontwerp
(jan. 2025)
Markttoets
(2025)
Distributienet€ 6.850€ 8.333€ 14.000
WKO€ 2.000€ 1.810€ 1.810
Centrale installaties€ 350€ 1.400€ 1.400
Afleverset€ 3.300€ 3.425€ 3.425
Totaal per woning€ 12.500€ 14.968€ 20.635

De stijging van de centrale installaties is grotendeels een gevolg van de conceptwijziging. Met de schetsontwerpraming kwam het vastrecht uit op circa € 720 per jaar. In de markttoetskolom is alleen het distributienet opnieuw geprijsd (€ 14.000 per woning, het gemiddelde van de ramingen van twee marktpartijen); de overige posten zijn vooralsnog op schetsontwerpniveau aangehouden.

In de markttoets kwam alleen het distributienet al uit op € 10.000 tot € 18.800 per woning. Eén aannemer gebruikte een eigen format zonder alle risico’s en kwam op € 10.000; de andere kwam met dezelfde systematiek en alle risico’s op € 18.800, na mitigatie te verlagen tot € 15.500. Uiteindelijk is € 14.000 per woning doorgerekend. Daarmee zou het vastrecht boven het door de ACM toegestane maximumtarief uitkomen. Met andere woorden: zelfs tegen het hoogst toegestane tarief sloot de exploitatie niet.

Volledige kostenraming (totale projectkosten)

De raming van het ingenieursbureau vergeleken met die van de eerste aannemer:

Totale projectkosten: ingenieursbureau versus aannemer 1
Kostenpost Ingenieursbureau Aannemer 1 Verschil
Verkeersmaatregelen (tijdelijk)€ 75.000€ 135.000+80%
Opruimen elementenverharding€ 256.541€ 461.837+80%
Grondwerk – ontgraven€ 175.600€ 1.477.972+742%
Grondwerk – vervoeren€ 15.330€ 733.910+4.687%
Grondwerk – verwerken€ 104.275€ 688.349+560%
Ringleiding Ring 1€ 353.360€ 776.413+120%
Ringleiding Ring 2€ 291.319€ 435.390+49%
Aftakkingen Ring 1€ 158.073€ 472.869+199%
Aftakkingen Ring 2€ 266.995€ 775.253+190%
Huisaansluitingen Ring 1€ 295.681€ 1.273.733+331%
Huisaansluitingen Ring 2€ 480.979€ 2.071.657+331%
Aanbrengen elementenverharding€ 1.017.887€ 1.298.920+28%
Directe bouwkosten€ 3.770.322€ 10.986.303+191%
Indirecte bouwkosten€ 958.602€ 3.335.881+248%
Niet-benoemde risico’s€ 472.892€ 2.864.437+506%
Totale bouwkosten€ 5.201.816€ 17.186.621+230%
Engineeringskosten€ 1.156.851€ 513.452−56%
Overige bijkomende kosten€ 423.428€ 127.856−70%
Risicoreservering€ 746.030€ 891.396+19%
TOTAAL€ 7.528.125€ 18.719.325+149%

Een tweede aannemer kwam met eigen software en zonder alle risico’s en meerwerk op circa € 9 mln; inclusief het voorzienbare meerwerk geschat op circa € 11,5 mln.

Daar kwam de afleverset bovenop. In de oorspronkelijke studie werd deze op circa € 3.300 per woning geschat, inclusief een pompfunctie voor het hele net (waardoor de centrale installaties slechts € 350 per woning kostten). Na de conceptwijziging verviel die pompfunctie, maar de raming kwam alsnog uit op € 3.425 per woning, terwijl de centrale installaties stegen naar € 1.400 per woning. Dit was ongunstig, te meer omdat de afleverset elke 15 jaar moet worden vervangen. Minstens zo bepalend: geen leverancier wilde de afleverset op deze schaal produceren én er een garantie op geven.

2

De toegevoegde waarde was te laag

Een zonnewarmtenet levert bewoners twee voordelen: de warmtepomp werkt efficiënter (een hogere SCOP) en er zijn minder PVT-panelen nodig, omdat het net een deel van de warmte levert. Daarnaast is koeling mogelijk. Die voordelen moeten opwegen tegen het vastrecht.

De efficiëntiewinst is er, maar beperkt. Hieronder de SCOP bij verschillende afgiftetemperaturen:

SCOP bij verschillende afgiftetemperaturen
Afgiftetemperatuur (°C) ZLT-net met
WKO en PVT
ZLT-net met
WKO en drycooler
Individueel
(PVT stand-alone)
356,336,464,89
555,075,064,05
704,294,203,51
Tapwater3,733,493,51

Bron: energiemodel v2.0. Aansluiting op een ZLT-net verhoogt de SCOP met circa 0,78 tot 1,44 punt.

Toch is de individuele oplossing per saldo goedkoper, omdat het vastrecht zwaarder weegt dan de besparing op panelen. De volledige kostenvergelijking voor een gemiddelde woning:

Overzicht voor de gemiddelde woning van verschillen in kosten voor warmte tussen een ZLT-net met PVT of een drycooler als regeneratie enerzijds, en PVT stand-alone anderzijds.
Kostenpost (per jaar) ZLT-net met PVT ZLT-net met drycooler PVT stand-alone
Verschillenanalyse
Afschrijving panelen€ 308€ 0€ 501
Afschrijving koppelmodule€ 117€ 117€ 0
Rente panelen€ 37€ 0€ 60
Rente koppelmodule€ 10€ 10€ 0
Onderhoud panelen€ 24€ 0€ 42
Vastrecht (incl. btw)€ 720€ 636€ 0
kWh-verbruik van net€ 440€ 667€ 414
af: kWh-teruglevering−€ 27€ 0−€ 49
Totale eindgebruikerskosten (bewoner)
Totaal per jaar€ 2.607€ 2.408€ 1.946
Totaal per maand€ 217€ 201€ 162

Toelichting: er wordt uitgegaan van een standaardwoning met een actief verwarmd oppervlak van 110 m², een schilindicator van 70 kWh/m² wat een ruimteverwarmingsvraag van 7.700 kWh oplevert, en 4 bewoners met een warm tapwatervraag van 3.000 kWh. De capaciteit van de warmtepomp is 6 kW. De hoeveelheid PVT bij een ZLT-net is 8 m², bij PVT stand-alone 14 m².

De verschillenanalyse is geen volledig kostenoverzicht. Alleen de kosten zijn opgenomen waarin verschillen optreden tussen de verschillende warmteoplossingen. Zo is in iedere oplossing de warmtepompinstallatie bijvoorbeeld hetzelfde.

In de berekening voor het vastrecht is nog uitgegaan van de kostenraming uit het schetsontwerp, zonder de kostenverhoging naar aanleiding van de second opinion met twee aannemers die de business case onhaalbaar maakten. Met die raming uit het schetsontwerp kwam het vastrecht per jaar uit op € 720 per jaar voor het ZLT-net zonder drycooler, en € 636 met drycooler.

Voor de ‘kWh verbruik van het net’ berekenen wij, op basis van het energiemodel, de momentane kWh-opbrengst van de PVT-panelen toe aan de momentane afname van kWh door de warmtepomp. Dat verklaart dat het verbruik op jaarbasis voor de PVT stand-alone maar iets hoger is ten opzichte van het ZLT-net met PVT. PVT stand-alone heeft aanzienlijk meer m² panelen nodig die dus ook meer opbrengen voor de warmtepomp. Er wordt niet gerekend met de salderingsregeling, die per 2027 wordt afgeschaft.

Maandlasten per techniek

Het vastrecht maakt het verschil: de individuele oplossing is per maand het goedkoopst.

ZLT-net met PVT€ 217 / maand
ZLT-net met drycooler€ 201 / maand
PVT stand-alone (individueel)€ 162 / maand

Van het verschil van € 55/maand tussen het net (met PVT) en de individuele oplossing is het vastrecht (€ 60/maand) de bepalende post.

Ook koeling levert waarde (geschat op maximaal € 200 per jaar, mits het afgiftesysteem geschikt is zoals vloerverwarming of laagtemperatuurradiatoren), maar onvoldoende om de meerkosten van het net te rechtvaardigen. De conclusie is dat het ontwerp te weinig toegevoegde waarde biedt om de aanlegkosten te rechtvaardigen.

3

De noodzaak van een net nam af

Twee ontwikkelingen verkleinen de noodzaak van een collectief net. Ten eerste de propaanwarmtepomp (koudemiddel R290), die door Europese regelgeving snel terrein wint. Deze haalt hogere afgiftetemperaturen (tot circa 70 à 75 graden) dan veel gangbare warmtepompen (die rond 60 à 65 graden begrensd zijn). Daardoor kunnen ook minder goed geïsoleerde woningen betrouwbaar op koude dagen verwarmd worden, zonder dat een warmere bron zoals een net nodig is. Bij gangbare warmtepompen loopt bij hogere afgiftetemperaturen het rendement sneller terug en is vaker bijstook nodig; een warmere bron verkleint die temperatuurlift. Propaanwarmtepompen nemen dat voordeel grotendeels weg.

Ten tweede leveren nieuwere PVT-panelen per vierkante meter meer bruikbare warmte over een langer seizoen, waardoor een woning met eigen warmtepomp vaker een voldoende lage-temperatuurbron heeft. Samen maken beide ontwikkelingen het verschil tussen collectief en individueel steeds kleiner, terwijl de kosten van een collectief net gelijk blijven.

4

De wet past niet bij een prosumernet

In een prosumernet wisselen bewoners warmte uit: de een levert een overschot, de ander neemt af. Eerlijk zou zijn dat iedereen per saldo een vergelijkbare prijs per eenheid energie betaalt, ongeacht het eigen profiel. Dat speelt op drie manieren: voor zelf opgewekte en direct gebruikte warmte, voor zelf opgewekte warmte die via de WKO later wordt afgenomen, en voor woningen zonder eigen panelen die uitsluitend warmte uit de bodem betrekken. Woningen met een overschot willen daarvoor een vergoeding die hun prijs gelijkwaardig maakt aan die van een woning zonder panelen.

Maar de wet staat bij dit type net alleen een vast tarief per vermogen toe (het vastrecht), niet een tarief per afgenomen hoeveelheid. Een vergoeding voor teruggeleverde warmte mag wel. Binnen die regels is een eerlijke prijs lastig. De gekozen oplossing was een maximaal vastrecht met een korting die afhangt van wat je afneemt en teruglevert, plus een terugleververgoeding. Dat benadert een eerlijke prijs, maar is juridisch kwetsbaar, omdat het feitelijk variabele beprijzing via het vaste tarief introduceert. Deze beperking is ook in de nieuwe wetgeving niet weggenomen, waardoor prosumernetten tegen dezelfde barrière blijven aanlopen.

Conclusies

Conclusies en lessen voor andere wijken

De kern: de meerwaarde van een 5e-generatie zonnewarmtenet met WKO en PVT-panelen is in deze bestaande bouw niet aangetoond. Ook de variant zonder panelen (centrale opwek met een drycooler) biedt geen duidelijke meerwaarde. Dat komt vooral door de kosten van het distributienet in bestaande bouw, versterkt door de dure afleverset zonder garantie, en doordat de conceptwijziging de efficiëntie van het net verlaagde.

Pas bij een vastrecht van rond € 25 per maand (variant met panelen) of € 35 per maand (variant met drycooler) (beide inclusief btw) zou het wamrtenet weliswaar goedkoper zijn dan gas, maar nog steeds niet goedkoper dan de individuele oplossing. Bij de ontvangen aannemersramingen is zo’n vastrecht niet realistisch. In bredere zin geldt de vraag voor alle ZLT-netten: is de toegevoegde waarde voldoende om de kosten goed te maken?

Een belangrijke les is organisatorisch: toets de kosten vroegtijdig met de markt. Het project ging lang uit van een vastrecht rond € 35 op basis van een oudere studie; pas na de ontwerpfase bleek dat niet haalbaar. Publieke kostenkentallen voor dit soort netten ontbreken nog, waardoor een vroege realiteitscheck moeilijk is.

Vijf lessen voor wie een ZLT-net overweegt

  1. Toets de aanlegkosten van het distributienet vroeg en met meerdere marktpartijen. In de bestaande bouw met een drukke ondergrond en kans op tegenvallers wegen het grondwerk en tuinherstel zwaar op de begroting.
  2. Weeg het collectieve net expliciet af tegen het individuele alternatief, en herhaal die afweging. Propaanwarmtepompen en betere PVT-panelen verschuiven het omslagpunt steeds richting individueel.
  3. Borg de leverbaarheid en garantie van innovatieve onderdelen voordat het hele ontwerp ervan afhankelijk wordt.
  4. De huidige warmtewet maakt prosumer warmtenetten niet goed mogelijk. Bij een laag-temperatuurnet is alleen een vast tarief per vermogen toegestaan, wat geen goede reflectie is van het feit dat bewoners ook producent van de warmte zijn.
Het vervolg

Hoe nu verder: modulaire bodemenergie

Na het besluit in juli 2025 is de wijk doorgegaan met alternatieven die wél aan de kerndoelstelling voldoen: een duurzame warmteoplossing die goedkoper is dan gas. De huidige richting zijn kleinschalige oplossingen met gesloten bodemlussen (verticale buizen in de grond), in drie varianten: voor één woning, voor twee buren samen, of voor een klein cluster van woningen. PVT-panelen lopen als parallel spoor mee. Eerste indicaties wijzen erop dat dit goedkoper is dan gas, en zeker goedkoper dan het wijkbrede net.

Het grote voordeel van een modulaire aanpak (woningblok voor woningblok, of zelfs woning voor woning) is dat het vollooprisico vrijwel wegvalt: de kans dat een wijkbreed net te weinig aansluitingen haalt terwijl alle investeringen al gedaan zijn. Kostenverlaging wordt gezocht in standaardisatie, clustering en serieel boren. Een haalbaarheidsstudie laat zien dat aanleg op wijkschaal mogelijk en kansrijk is.

Zie voor het huidige plan hier.

Vragen & antwoorden

Veelgestelde vragen

Waarom is het zonnewarmtenet niet aangelegd?

Door een combinatie van vier factoren die elkaar versterkten: de aanlegkosten bleken bijna twee keer hoger dan geraamd, de meerwaarde voor bewoners was beperkt, individuele oplossingen werden snel beter, en de wetgeving past niet bij een prosumernet.

Was er iets mis met het concept zelf?

Nee. Het concept is technisch doordacht en op kleine schaal beproefd. Het knelpunt zit in de kosten van een wijkbreed net in bestaande bouw, afgezet tegen de meerwaarde en tegen het snel verbeterende individuele alternatief.

Waarom is een individuele oplossing goedkoper, terwijl je dan méér panelen nodig hebt?

Bij het net betaal je vastrecht. Dat vaste tarief weegt zwaarder dan de besparing die je haalt door minder panelen te leggen. De extra panelen bij een individuele oplossing leveren bovendien meer eigen warmte en elektriciteit op, waardoor het verschil in stroomverbruik klein blijft.

Wat veranderen propaanwarmtepompen precies?

Ze halen hogere temperaturen dan veel gangbare warmtepompen. Daardoor kunnen ook minder goed geïsoleerde woningen betrouwbaar individueel worden verwarmd, zonder een bron zoals een zlt-net.

Waarom is de tariefwetgeving een probleem?

Een andere belemmering was de beprijzingssystematiek. Het Zonnewarmtenet is een 5e-generatie prosumernet waarin bewoners zowel producent als verbruiker van warmte zijn: warmte wordt decentraal opgewekt met PVT-panelen op de daken, die leveren aan de eigen woning of terugleveren aan het wijknet (WKO) om later te gebruiken. Bewoners hebben wisselende profielen van warmtevraag en -levering, afhankelijk van de woning, de hoeveelheid PVT en andere factoren.

Een prosumernet vraagt om een beprijzing die zowel geleverde als afgenomen warmte verrekent, zodat iedere bewoner per saldo een ‘eerlijke’ prijs per eenheid energie betaalt — ongeacht het opwek- en afnameprofiel. Dat speelt voor drie situaties:

  • Zelf opgewekte, direct gebruikte warmte van de eigen PVT-panelen (de kosten van PVT spelen mee).
  • Zelf opgewekte warmte die in de WKO is opgeslagen en later wordt afgenomen (kosten van de eigen PVT én van het wijknet).
  • Alleen warmte uit de WKO, voor woningen zonder PVT — bijvoorbeeld door ligging of te weinig dakruimte (kosten van het wijknet, plus de PVT-kosten van andere huishoudens). Huishoudens met een PVT-overschot willen daarvoor een vergoeding die hun prijs per eenheid gelijkwaardig maakt aan een woning zonder panelen.

De Warmtewet staat bij een ZLT-net geen beprijzing per afgenomen hoeveelheid warmte toe. Voor warmte die ‘niet direct geschikt is voor ruimteverwarming of warm tapwater’ mag alleen vastrecht in rekening worden gebracht, afhankelijk van het vermogen van de afleverset; woningen met hetzelfde vermogen betalen dus in principe hetzelfde vastrecht. Een terugleververgoeding voor teruggeleverde warmte mag wél en kent in de wet geen prijsrestricties.

Binnen die restricties is een ‘eerlijke’ prijs lastig. Alleen via de terugleververgoeding regelen geeft een onrechtvaardige kostenverdeling; daarom is ook prijsdifferentiatie via het (wel gereguleerde) vastrecht nodig. Dat leidde tot deze tariefstructuur:

  • Iedere bewoner betaalt een maximaal vastrecht met een korting. Die korting hangt af van het saldo van afname en teruglevering en kan oplopen tot 90% of meer — dus verbruikersafhankelijk.
  • Een terugleververgoeding voor geleverde warmte, als aanvullende maatregel om de beprijzing ‘eerlijk’ te maken.

Een maximaal vastrecht met een kortingssystematiek die tóch van gedrag afhangt, is juridisch ‘op het randje’, maar door onze jurist als houdbaar beoordeeld. De nieuwe Wcw (Wet collectieve warmte) lost deze beperkingen niet op, wat de ontwikkeling van echte prosumernetwerken — voor zover financieel haalbaar — blijft belemmeren.

Is een warmtenet dan nooit zinvol?

Dat zegt dit project niet. De conclusie geldt voor een laag-temperatuurnet in deze bestaande bouw. In andere situaties (bijvoorbeeld met een goedkope warmtebron of bij nieuwbouw) kan de afweging anders uitvallen. De kernvraag blijft: is de meerwaarde groot genoeg ten opzichte van individuele alternatieven?

Wat is het vollooprisico?

Dat is het risico dat een wijkbreed net te weinig aansluitingen krijgt, terwijl alle investeringen al gedaan zijn. Een modulaire aanpak vermijdt dit, omdat je per woning of per cluster investeert.

Hoe gaat het nu verder in de wijk?

De wijk onderzoekt kleinschalige oplossingen met bodemlussen (individueel, met de buren, of in een klein cluster), met PVT-panelen als parallel spoor. Eerste resultaten zijn positief.

Naslag

Begrippenlijst

ZLT-net (zeer-lage-temperatuurnet)
Een warmtenet dat warmte op lage temperatuur transporteert, met weinig warmteverlies. Per woning verhoogt een warmtepomp de temperatuur naar het gewenste niveau.
PVT-paneel
Een dakpaneel dat zowel elektriciteit als warmte levert.
WKO (warmte-koudeopslag)
Opslag van warmte (en koude) in de bodem, om die in een ander seizoen te gebruiken.
Warmtepomp
Een apparaat dat warmte op lage temperatuur “oppompt” naar een bruikbare temperatuur.
SCOP
Een maat voor de efficiëntie van een warmtepomp over een heel jaar. Hoe hoger, hoe minder stroom nodig is.
Prosumer
Een bewoner die zowel produceert als verbruikt; in dit geval warmte.
Vastrecht
Het vaste deel van de warmterekening, los van het verbruik.
Vollooprisico
Het risico dat een net te weinig aansluitingen haalt om de investering terug te verdienen.
Drycooler
Een installatie die de bodemopslag centraal kan aanvullen met warmte uit de buitenlucht.

Deze tekst is de openbare, voor publicatie geschikte weergave van het project. Subsidie-, fiscale, financierings- en organisatorische details zijn bewust weggelaten; de nadruk ligt op het concept, het verloop, de knelpunten en de lessen.