Het Zonnewarmtenet in het Ramplaankwartier
Wat we leerden over een 5e-generatie zonnewarmtenet in bestaande bouw, en waarom de wijk uiteindelijk koos voor een andere route.

In het Ramplaankwartier in Haarlem (circa 1.150 overwegend vooroorlogse woningen) is tussen 2020 en 2025 een wijkbreed, zeer-lage-temperatuur (ZLT) zonnewarmtenet onderzocht en ontworpen. In juni 2025 viel het besluit om dit net niet aan te leggen. Dit verslag vertelt het hele verhaal: hoe het concept werkt, wat we ontdekten, en wat andere wijken eruit kunnen leren.
In het kort
Een op papier aantrekkelijk concept bleek in de praktijk niet haalbaar. Vier knelpunten leidden tot het besluit, en ze versterkten elkaar:
Onrendabele business case
De aanlegkosten van het wijknet vielen in een markttoets door aannemers ongeveer twee keer hoger uit dan de ontwerpraming. Zelfs het maximaal toegestane vastrecht zou dan onvoldoende zijn.
Te lage toegevoegde waarde
Het efficiëntievoordeel van het net en de besparing op PVT-panelen wogen niet op tegen het hoge vastrecht. Individuele oplossingen zonder een wijkbreed net bleken goedkoper.
Afnemende noodzaak
Nieuwe propaanwarmtepompen en betere PVT-panelen maken individuele oplossingen ook in minder goed geïsoleerde woningen haalbaar.
Tariefwetgeving niet geschikt
De wet staat bij dit type net alleen een vast tarief per vermogen toe, waardoor een eerlijke verrekening van opgewekte én afgenomen warmte juridisch kwetsbaar is.
De overkoepelende les: de toegevoegde waarde van een collectief net in bestaande bouw moet scherp afgewogen worden tegen de individuele oplossingen die bewoners ook binnen handbereik hebben. Biedt een warmtenet vanuit eindgebruikerskosten voldoende toegvoegde waarde gegeven het vastrecht dat moet worden betaald? Voor beleidsmakers: individuele oplossingen hebben aanzienlijk minder subsidie nodig, waarmee de maatschappelijke voordelen van een warmtenet heel evident moeten zijn om deze optie te prefereren.
Overwegend vooroorlogse bouw
Het Ramplaankwartier is een woonwijk in Haarlem met circa 1.150 woningen, grotendeels gebouwd vóór 1940. Het zijn overwegend rijwoningen met zadeldaken. Juist die bestaande, deels minder goed geïsoleerde bouw maakt de warmtetransitie hier uitdagend. Dat is de reden dat de wijk op zoek ging naar een betaalbare, opschaalbare oplossing om toch van het gas af te gaan.

Hoe werkt een zonnewarmtenet?
Een zonnewarmtenet is een collectief warmtenet voor een hele wijk, op een heel lage temperatuur. De gedachte erachter is simpel samen te vatten in drie principes:
- De zon is de bron. Warmte wordt in de wijk zelf opgewekt met PVT-panelen op de daken van bewoners. Een PVT-paneel levert zowel elektriciteit als warmte (de “T” staat voor thermisch).
- De aarde is de batterij. Overtollige warmte wordt opgeslagen in de bodem, in een warmte-koudeopslag (WKO). In de winter wordt die opslag weer benut.
- Water is de energiedrager. Het net transporteert de warmte op lage temperatuur door de wijk, met weinig tot geen warmteverlies.
Omdat de temperatuur in het net laag is, waardeert in elke woning een warmtepomp de bronwarmte op naar de temperatuur die nodig is om te verwarmen. Het bijzondere is dat bewoners zowel leverancier als afnemer zijn: wie veel PVT-panelen op het dak heeft, levert warmte aan het net; wie warmte nodig heeft, neemt af. Zo’n net waarin bewoners beide rollen vervullen heet een 5e-generatie of “prosumer”-net.
Een zonnewarmtenet werkt het beste als woningen redelijk tot goed geïsoleerd zijn en de wijk dicht genoeg bebouwd is. Het grote voordeel is dat het geen externe hoge-temperatuurbron nodig heeft, die in de meeste Nederlandse wijken ontbreekt.
Het systeem op drie niveaus
- De woninginstallatie: warmtepomp, boilervat en PVT-panelen. Dit deel oogst de warmte uit de lucht, produceert elektriciteit en verwarmt de woning.
- De afleverset: koppelt de woning aan het wijknet en stuurt de warmtestromen (van de PVT panelen naar de warmtepomp, van het net naar de warmtepomp, en van de PVT panelen terug naar het net).
- Het wijkenergiesysteem: de warmte- en koudeleidingen, de WKO-bronnen en een buurtwarmtecentrale die de balans in het net bewaakt. Slimme software verdeelt en transporteert de warmte.
De seizoenscyclus
In de zomer levert de zon veel meer warmte dan de wijk nodig heeft; het overschot gaat de WKO in. In de winter is de PVT-opbrengst laag en wordt de opgeslagen warmte aangesproken. In het tussenseizoen wordt zonnewarmte grotendeels direct gebruikt. Het systeem is zo ingeregeld dat de bodem op jaarbasis in balans blijft: wat er in de zomer in gaat, komt er in de winter weer uit.
Een compleet werkend wijknet
Het doel was een compleet werkend wijknet met tenminste 800 aangesloten woningen op twee WKO-bronnen. Bewoners zouden met eigen PVT-panelen warmte opwekken, opslaan en delen, met leveringszekerheid doordat de bronnen onderling gekoppeld zijn. Slimme software zou de opwek optimaal verdelen. Een brede bewonersaanpak moest mensen helpen bij isolatie en de overstap.
Het verhaal: van concept tot besluit
Elke stap is een korte mijlpaal; samen vertellen ze waarom de uiteindelijke knelpunten ontstonden. De conceptwijziging en de markttoets waren de kantelpunten.
Programma van eisen
Het projectteam legde vast hoe het systeem moest werken: betrouwbaarheid, beheer, veiligheid, monitoring en de grens tussen straat en woning.
Lees meer
In de voorbereidingsfase stelde het projectteam een programma van eisen (PvE) op als functionele en technische basis voor het verdere ontwerp en de inkoopvoorbereiding van het Zonnewarmtenet.
Het PvE beschrijft de beoogde systeemwerking en de randvoorwaarden — waaronder de scope en de demarcatie tussen openbare ruimte en woningcomponenten — en de eisen voor betrouwbaarheid, beheerbaarheid, veiligheid, onderhoud, monitoring/regeling en gegevensuitwisseling. Daarmee diende het als gemeenschappelijk referentiekader voor de marktconsultatie, de uitwerking van het schetsontwerp en de latere kavel- en contractafbakening, zodat ontwerpkeuzes en aanbiedingen van marktpartijen onderling vergelijkbaar werden.
Marktconsultatie
Gesprekken met de markt leverden drie inzichten op. Pompen in elke woning (om het net op druk te houden) werden afgeraden: te complex, te storingsgevoelig, onderdelen nog niet beschikbaar. Isolatie van de leidingen loont waarschijnlijk niet. En voor zo’n innovatief ontwerp heeft een bouwteam de voorkeur boven een klassieke aanbesteding.
Lees meer
Het projectteam doorliep een marktconsultatie om een inkoopplan voor het wijknet te maken en de grootste technische en contractuele risico’s vroegtijdig te reduceren. Er zijn gesprekken gevoerd met diverse marktpartijen, met drie aanbevelingen als resultaat:
- Het oorspronkelijke ontwerp ging uit van het decentraal op druk houden van het net via een pompfunctie in de afleversets bij de woningen. Dit werd afgeraden: de benodigde onderdelen waren nog niet leverbaar en moesten worden ontwikkeld, de doorlooptijd zou lang en de levensduur kort zijn, de storingsgevoeligheid voor het hele systeem groot, de kosten lang onzeker, en de pompen zouden tegen elkaar in kunnen werken. Afstappen van decentrale drukregeling zou de complexiteit sterk verlagen en de levensduur verlengen.
- Het isoleren van het distributienet had bij het beoogde temperatuurregime waarschijnlijk geen gunstige kosten-batenverhouding.
- Een klassieke tender paste slecht bij dit innovatieve ontwerp, omdat de vraagspecificatie nog niet volledig was uitgekristalliseerd. Marktpartijen gaven de voorkeur aan een bouwteam-aanpak met ontwikkelvergoeding en prijsbandbreedtes, gekoppeld aan een outputgerichte specificatie per kavel.
Conceptwijziging
Het net zou centraal op druk gehouden moeten worden in plaats van per woning. Dat vereenvoudigde de installatie in de woning sterk. Een keerzijde: het net kon dan niet tegelijk een warme én een koude leiding voeden. Een voordeel: de temperatuur in het net kon omlaag (van circa 18 naar circa 13 graden), waardoor de PVT-panelen meer uren per jaar productief zouden zijn.
Lees meer
De mogelijke verandering van de functie van de afleverset leidde tot een conceptwijziging, waarvan de gevolgen eerst in beeld moesten komen. Na een aanvullende studie en een verdiepende expertconsultatie in mei 2024 werd definitief besloten over te stappen op een concept met een centrale distributiepomp.
Gevolg: het beoogde wijknet zou niet langer gelijktijdig een warme- én een koudeleiding op druk kunnen houden — de aanvoerleiding is óf warm (winterse dagen) óf koud (zomerse dagen). Dit beperkt de levering aan woningen zonder PVT en de zomerregeneratie voor PVT-woningen met koelwens. Het werd als een beperkt nadeel beoordeeld, omdat er in de wijk weinig vraag is naar warmte in de zomer of koude in de winter.
Een belangrijk voordeel: de minimale aanvoertemperatuur voor opslag in de bodem kon dalen van circa 18 °C naar circa 13 °C. Bij die lagere brontemperatuur maken de PVT-panelen meer productieve uren, omdat er meer uren zijn waarin de buitenlucht warmer is dan de nettemperatuur. Het rendement van de warmtepomp verandert daarbij nauwelijks: het gaat om het temperatuurverschil (delta-T) dat de warmtepomp haalt, en dat is bij 13 °C niet wezenlijk anders dan bij 18 °C.
Proefboring
Door de nabijheid van de duinen is de ondergrond moeilijk te voorspellen (de grens tussen zoet en zout water). Een proefboring bleek nodig om zekerheid te krijgen. De uitkomst was gunstig: de bodem blijkt zeer geschikt, waardoor twee in plaats van drie WKO-bronnen zouden volstaan.
Lees meer
Voor het ontwerp van de WKO-bronnen werd in maart–april een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. In april 2024 bleek dat er onvoldoende informatie was over het watervoerend pakket in de ondergrond: door de nabijheid van de duinen werd de zoet/zout-grens als onvoorspelbaar beschouwd.
Daardoor kon niet met voldoende zekerheid worden bepaald hoeveel bronnen nodig waren en welke risico’s (zoals tegenvallende capaciteit) acceptabel waren. Ook het risico op verstopping of putfalen was aanleiding voor aanvullende metingen. Een proefboring werd daarom noodzakelijk.
De boring is uitgevoerd tussen 5 en 14 juni 2024 en pakte gunstig uit: de ondergrond bleek zeer geschikt, waardoor twee in plaats van drie bronnen zouden volstaan.
Schetsontwerp 1.0
Het eerste volledige ontwerp kwam gereed: bronnen, buurtwarmtecentrale en distributienet. Twee zaken ontbraken nog: een volwaardig energiemodel en een nauwkeurige uitwerking van de installatie in de woning.
Lees meer
In oktober 2024 was de eerste volledige versie van het schetsontwerp (v1.0) gereed. Die bevatte de technische specificaties van de WKO-bronnen, de buurtwarmtecentrale (met onder meer scheidingswisselaars, distributiepompen, een regeneratievoorziening en elektrische en bouwkundige voorzieningen) en het distributienet (netstructuur, huisaansluitingen, materiaalkeuze, isoleren/segmenteren en een aparte kostenraming), plus een functioneel hoofdstuk met bedrijfsstanden.
Twee belangrijke elementen ontbraken nog: een volwaardig energiemodel en een nauwkeurige specificatie van de huisgebonden installatie (afleverset, koppelmodule, warmtepomp en de regeling daarvan via het energiemanagementsysteem).
Centrale regeneratie onderzocht
Omdat onzeker was hoeveel PVT-panelen bewoners zouden plaatsen, werd een centrale manier onderzocht om de WKO-bronwarmte aan te vullen (een lucht-water-warmtepomp, een drycooler of “power-to-heat”). Centrale aanvulling geeft meer grip op de balans en haalt druk weg bij bewoners.
Lees meer
De benodigde hoeveelheid PVT was een onzekerheid: in 2024 was nog niet duidelijk voor hoeveel regeneratie PVT energetisch precies kon zorgen, en de hoeveelheid die bewoners zouden installeren zou pas bij volloop blijken. Om onbalans in de bodem te voorkomen, werd in de zomer van 2024 een studie gedaan naar aanvullende regeneratieopties: een lucht-water-warmtepomp, een drycooler en “power-to-heat”.
Centrale regeneratie zou strategische voordelen geven voor het zonnewarmtenet: meer sturing op de nettemperatuur en de warmtebalans in de bronnen, een grotere kans op een soepel vergunningtraject en minder financiële en ruimtelijke druk bij bewoners om de beoogde PVT-aantallen te halen.
Aanvankelijk leek de voorkeur uit te gaan naar een grote lucht-water-warmtepomp. Later verschoof de voorkeur op basis van de kosten toch naar drycoolers, ondanks dat die op warme dagen met PVT ‘concurreren’ om de laadcapaciteit van de WKO-bronnen.
Het energiemodel
De eerste berekeningen gingen uit van verouderde warmtepompen en kwamen uit op 16 m² PVT-panelen per woning, te veel voor een rendabele situatie. Met modernere warmtepompen en een preciezere nettemperatuur zou dit dalen naar 9 tot 12,5 m² per woning. Een verbeterd model (een uursimulatie) bracht de werkelijke meerwaarde van het net in beeld.
Lees meer
Het energiemodel moest laten zien hoeveel energie zou worden gebruikt en opgewekt, waar verliezen zouden optreden en hoe de energiebalans tot stand zou komen — cruciaal voor een ‘prosumer’-net waarin levering door het net, teruglevering uit PVT en eigen PVT-gebruik samenspelen. De modellering bleek complexer dan gedacht.
In versie 1.0 zat een fundamentele onzekerheid over de regeling van de warmtepomp, met name de delta-T (het verschil tussen de in- en uitgaande verdampertemperatuur). Met een lage delta-T (kleiner dan 1 Kelvin), passend bij oudere warmtepompen, kwam het model uit op 16 m² PVT per woning — een onrendabele business case. Aanvullend marktonderzoek liet zien dat modernere warmtepompen een delta-T van 5 Kelvin of beter halen. Samen met een preciezere nettemperatuur (11,5–12,5 °C) daalde het benodigde PVT-oppervlak naar 9 tot 12,5 m² per woning.
Een verbeterd model 2.0 — een uursimulatie voor een standaardwoning over meerdere klimaatjaren, met een variabel berekende warmtepomp-COP — bracht de werkelijke meerwaarde van het net in beeld. In een koud jaar zou het net circa 570 kWh elektriciteit per woning besparen (bij € 0,35/kWh ongeveer € 200 per jaar), in een warm jaar circa 415 kWh (ongeveer € 145 per jaar). Ook het benodigde aansluitvermogen daalde: circa 1,8 kW met het net tegenover circa 3,3 kW bij een individueel systeem.
De afleverset
Het onderdeel dat in de woning de stromen stuurt, bestond nog niet en zou ontwikkeld moeten worden. Bij navraag bleek geen enkele leverancier bereid hier een garantie op te geven, gezien de kleine oplage en het nieuwe ontwerp. Dat was een onaanvaardbaar risico.
Lees meer
De benodigde afleverset schakelt en regelt in de woning tussen PVT, warmtepomp en wijknet: wanneer de warmtepomp bronwarmte uit de PVT gebruikt, wanneer ze warmte aan het net onttrekt, en wanneer de PVT warmte aan het net teruglevert. Deze afleverset bestaat uit twee delen. Het ‘buitendeel’ verbindt de woning met het wijknet en werd door de conceptwijziging sterk vereenvoudigd tot een klassieke afleverset. Het ‘binnendeel’ (de koppelmodule) bij de warmtepomp en PVT stuurt de stromen, inclusief het schakelen tussen brongebruik en teruglevering.
Dat binnendeel was nog niet op de markt en moest worden ontwikkeld. Toen de specificaties helder waren, volgde een marktconsultatie. Daaruit bleek dat leveranciers — gezien de vooralsnog beperkte oplage en het innovatieve karakter van het ontwerp — geen garantie op de afleverset wilden geven. Dat vormde een onacceptabel risico voor bewoners en het project.
Daar kwam bij dat de afleverset elke 15 jaar zou moeten worden vervangen, wat de business case aanzienlijk nadelig beïnvloedde.
Markttoets op de kosten
De ontwerpraming zat al aan de bovenkant van wat financieel haalbaar was. Twee aannemers werden gevraagd of er ruimte naar beneden zat. Het tegendeel bleek het geval: de kosten verdubbelden bijna.
Lees meer
De kostenraming van het ingenieursbureau kwam boven de eerder ingeschatte bandbreedte uit — mede doordat de marktrente sinds de eerdere studie met meer dan 2,5 procentpunt was gestegen. Om te onderzoeken of er neerwaartse ruimte was, is bij twee marktpartijen een second opinion gevraagd. Het tegendeel bleek waar.
De eerste aannemer schatte vooral het grondwerk veel hoger in: de raming van het ingenieursbureau ging volgens de aannemer uit van een onrealistisch hoog graaftempo zonder complicaties — realistisch voor nieuwbouw, niet voor het Ramplaankwartier. Ook de materiaalkosten voor het distributienet lagen hoger en de kosten voor tuinherstel bij de huisaansluitingen lagen volgens ervaringscijfers vier keer hoger.
In totaal kwam de eerste aannemer op bijna een verdubbeling: € 18,7 miljoen tegenover de eerder geraamde € 7,5 miljoen. Een tweede aannemer kwam met eigen software op circa € 9 miljoen exclusief veel risico’s en meerwerk; inclusief het voorzienbare meerwerk geschat op circa € 11,5 miljoen.
De beslissing
Te duur ten opzichte van de meerwaarde, geen garantie op de afleverset en individuele oplossingen die snel beter werden. In juni 2025 viel het besluit: het wijkbrede net werd niet aangelegd. De wijk ging op zoek naar alternatieven.
Lees meer
In het voorjaar van 2025 drong de conclusie zich op dat het ZLT-net te duur werd ten opzichte van de meerwaarde voor bewoners, vergeleken met een stand-alone all-electric oplossing. Daarbij wilden leveranciers geen garantie op de afleverset geven en de opkomst van de propaanwarmtepomp — die een hogere temperatuuropwaardering (tot circa 70 °C) kan leveren — verminderde de noodzaak van een warmtenet voor minder goed geïsoleerde woningen verder.
Ter voorbereiding van de go/no-go werd de business case nog eenmaal door een externe partij getoetst en werden alternatieve warmtetechnieken verkend. In de stuurgroep met wijkbewoners en gemeente Haarlem viel in juni 2025 een ‘no go’: het wijkbrede ZLT-net zou niet in deze vorm worden aangelegd.
Waarom het niet doorging: vier knelpunten
De vier knelpunten staan niet los van elkaar; ze versterkten elkaar. De business case zat al aan de bovenkant van de bandbreedte; de kostenverdubbeling duwde hem er definitief overheen. Tegelijk kromp de meerwaarde van een wijkbreed zonnewarmtenet van twee kanten: het voordeel van het net was beperkt, terwijl individuele alternatieven snel beter werden. Daar bovenop kon de wet de prosumer-waarde niet eerlijk verrekenen.
De business case werd onrendabel
De kosten voor het distributienet liepen in drie stappen op: van de oorspronkelijke studie, via het schetsontwerp, naar de markttoets door aannemers.
| Component | Studie (2020) |
Schetsontwerp (jan. 2025) |
Markttoets (2025) |
|---|---|---|---|
| Distributienet | € 6.850 | € 8.333 | € 14.000 |
| WKO | € 2.000 | € 1.810 | € 1.810 |
| Centrale installaties | € 350 | € 1.400 | € 1.400 |
| Afleverset | € 3.300 | € 3.425 | € 3.425 |
| Totaal per woning | € 12.500 | € 14.968 | € 20.635 |
De stijging van de centrale installaties is grotendeels een gevolg van de conceptwijziging. Met de schetsontwerpraming kwam het vastrecht uit op circa € 720 per jaar. In de markttoetskolom is alleen het distributienet opnieuw geprijsd (€ 14.000 per woning, het gemiddelde van de ramingen van twee marktpartijen); de overige posten zijn vooralsnog op schetsontwerpniveau aangehouden.
In de markttoets gebruikte één aannemer een eigen format zonder alle risico’s en kwam voor de berekening van alleen het distributienet al op € 10.000; de andere kwam met dezelfde systematiek en alle risico’s op € 18.800, na mitigatie te verlagen tot € 15.500. Uiteindelijk is € 14.000 per woning doorgerekend. Daarmee zou het vastrecht boven het door de ACM toegestane maximumtarief uitkomen. Met andere woorden: zelfs tegen het hoogst toegestane tarief kon het wijkbrede zonnewarmtenet alleen verlieslatend worden geëxploiteerd.
Volledige kostenraming (totale projectkosten)
De raming van het ingenieursbureau vergeleken met die van de eerste aannemer:
| Kostenpost | Ingenieursbureau | Aannemer 1 | Verschil |
|---|---|---|---|
| Verkeersmaatregelen (tijdelijk) | € 75.000 | € 135.000 | +80% |
| Opruimen elementenverharding | € 256.541 | € 461.837 | +80% |
| Grondwerk – ontgraven | € 175.600 | € 1.477.972 | +742% |
| Grondwerk – vervoeren | € 15.330 | € 733.910 | +4.687% |
| Grondwerk – verwerken | € 104.275 | € 688.349 | +560% |
| Ringleiding Ring 1 | € 353.360 | € 776.413 | +120% |
| Ringleiding Ring 2 | € 291.319 | € 435.390 | +49% |
| Aftakkingen Ring 1 | € 158.073 | € 472.869 | +199% |
| Aftakkingen Ring 2 | € 266.995 | € 775.253 | +190% |
| Huisaansluitingen Ring 1 | € 295.681 | € 1.273.733 | +331% |
| Huisaansluitingen Ring 2 | € 480.979 | € 2.071.657 | +331% |
| Aanbrengen elementenverharding | € 1.017.887 | € 1.298.920 | +28% |
| Directe bouwkosten | € 3.770.322 | € 10.986.303 | +191% |
| Indirecte bouwkosten | € 958.602 | € 3.335.881 | +248% |
| Niet-benoemde risico’s | € 472.892 | € 2.864.437 | +506% |
| Totale bouwkosten | € 5.201.816 | € 17.186.621 | +230% |
| Engineeringskosten | € 1.156.851 | € 513.452 | −56% |
| Overige bijkomende kosten | € 423.428 | € 127.856 | −70% |
| Risicoreservering | € 746.030 | € 891.396 | +19% |
| TOTAAL | € 7.528.125 | € 18.719.325 | +149% |
Een tweede aannemer kwam met eigen software en zonder alle risico’s en meerwerk op circa € 9 mln; inclusief het voorzienbare meerwerk geschat op circa € 11,5 mln.
Daar kwam de afleverset bovenop. In de oorspronkelijke studie werd deze op circa € 3.300 per woning geschat, inclusief een pompfunctie voor het hele net (waardoor de centrale installaties slechts € 350 per woning zouden kosten). Na de conceptwijziging verviel die pompfunctie, maar de raming kwam alsnog uit op € 3.425 per woning, terwijl de centrale installaties stegen naar € 1.400 per woning. Dit was ongunstig, temeer omdat de afleverset elke 15 jaar zou moeten worden vervangen. Minstens zo bepalend: geen leverancier wilde de afleverset op deze schaal produceren én er een garantie op geven.
De toegevoegde waarde was te laag
Een zonnewarmtenet levert bewoners in theorie verschillende voordelen: de warmtepomp werkt efficiënter (een hogere SCOP) en er zijn minder PVT-panelen nodig, omdat het net een deel van de warmte levert. Daarnaast is koeling mogelijk. Die voordelen moeten opwegen tegen de kosten voor aanleg en exploitatie van het net die door de bewoners moeten worden opgebracht in de vorm van een vastrecht.
De efficiëntiewinst is er, maar beperkt. Hieronder de SCOP bij verschillende afgiftetemperaturen:
| Afgiftetemperatuur (°C) | ZLT-net met WKO en PVT |
ZLT-net met WKO en drycooler |
Individueel (PVT stand-alone) |
|---|---|---|---|
| 35 | 6,33 | 6,46 | 4,89 |
| 55 | 5,07 | 5,06 | 4,05 |
| 70 | 4,29 | 4,20 | 3,51 |
| Tapwater | 3,73 | 3,49 | 3,51 |
Bron: energiemodel v2.0. Aansluiting op een ZLT-net verhoogt de SCOP met circa 0,78 tot 1,44 punt.
Toch is de individuele oplossing per saldo goedkoper, omdat het vastrecht zwaarder weegt dan de besparing op panelen en de efficiëntiewinst van een betere SCOP. De volledige kostenvergelijking voor een gemiddelde woning:
| Kostenpost (per jaar) | ZLT-net met PVT | ZLT-net met drycooler | PVT stand-alone |
|---|---|---|---|
| Verschillenanalyse | |||
| Afschrijving panelen | € 308 | € 0 | € 501 |
| Afschrijving koppelmodule | € 117 | € 117 | € 0 |
| Rente panelen | € 37 | € 0 | € 60 |
| Rente koppelmodule | € 10 | € 10 | € 0 |
| Onderhoud panelen | € 24 | € 0 | € 42 |
| Vastrecht (incl. btw) | € 720 | € 636 | € 0 |
| kWh-verbruik van net | € 440 | € 667 | € 414 |
| af: kWh-teruglevering | −€ 27 | € 0 | −€ 49 |
| Totale eindgebruikerskosten (bewoner) | |||
| Totaal per jaar | € 2.607 | € 2.408 | € 1.946 |
| Totaal per maand | € 217 | € 201 | € 162 |
Toelichting: er wordt uitgegaan van een standaardwoning met een actief verwarmd oppervlak van 110 m², een schilindicator van 70 kWh/m² wat een ruimteverwarmingsvraag van 7.700 kWh oplevert, en 4 bewoners met een warm tapwatervraag van 3.000 kWh. De capaciteit van de warmtepomp is 6 kW. De hoeveelheid PVT bij een ZLT-net is 8 m², bij PVT stand-alone 14 m².
De verschillenanalyse is geen volledig kostenoverzicht. Alleen de kosten zijn opgenomen waarin verschillen optreden tussen de verschillende warmteoplossingen. Zo is in iedere oplossing de warmtepompinstallatie bijvoorbeeld gelijk.
In de berekening voor het vastrecht is nog uitgegaan van de kostenraming uit het schetsontwerp, zonder de kostenverhoging naar aanleiding van de second opinion met twee aannemers die de business case onhaalbaar maakten. Met die raming uit het schetsontwerp kwam het vastrecht per jaar uit op € 720 per jaar voor het ZLT-net zonder drycooler, en € 636 met drycooler.
Voor de ‘kWh verbruik van het net’ berekenen wij, op basis van het energiemodel, de momentane kWh-opbrengst van de PVT-panelen toe aan de momentane afname van kWh door de warmtepomp. Dat verklaart dat het verbruik op jaarbasis voor de PVT stand-alone maar iets hoger is ten opzichte van het ZLT-net met PVT. PVT stand-alone heeft aanzienlijk meer m² panelen nodig die dus ook meer opbrengen voor de warmtepomp. Er wordt niet gerekend met de salderingsregeling, die per 2027 wordt afgeschaft.
Maandlasten per techniek
Het vastrecht maakt het verschil: de individuele oplossing is per maand het goedkoopst.
Van het verschil van € 55/maand tussen het net (met PVT) en de individuele oplossing is het vastrecht (€ 60/maand) de bepalende post.
Ook koeling levert waarde (geschat op maximaal € 200 per jaar, mits het afgiftesysteem geschikt is zoals vloerverwarming of laagtemperatuurradiatoren), maar onvoldoende om de meerkosten van het net te rechtvaardigen. De conclusie is dat het ontwerp te weinig toegevoegde waarde biedt om de aanlegkosten te rechtvaardigen.
De noodzaak van een net nam af
Twee ontwikkelingen verkleinen de noodzaak van een collectief net. Ten eerste de propaanwarmtepomp (koudemiddel R290), die door Europese regelgeving snel terrein wint. Deze haalt hogere afgiftetemperaturen (tot circa 70 à 75 graden) dan veel gangbare warmtepompen (die rond 55 graden begrensd zijn). Daardoor kunnen ook minder goed geïsoleerde woningen betrouwbaar op koude dagen verwarmd worden, zonder dat een warmere bron zoals een net nodig is. Bij gangbare warmtepompen loopt bij hogere afgiftetemperaturen het rendement sneller terug en is vaker bijstook nodig; een warmere bron verkleint die temperatuurlift. Propaanwarmtepompen nemen dat voordeel grotendeels weg.
Ten tweede leveren nieuwere PVT-panelen per vierkante meter meer bruikbare warmte over een langer seizoen, waardoor een woning met eigen warmtepomp vaker een voldoende lage-temperatuurbron heeft. Samen maken beide ontwikkelingen het verschil tussen collectief en individueel steeds kleiner, terwijl de kosten van een collectief net gelijk blijven.
De wet past niet bij een prosumernet
In een prosumernet wisselen bewoners warmte uit: de een levert een overschot, de ander neemt af. Eerlijk zou zijn dat iedereen per saldo een vergelijkbare prijs per eenheid energie betaalt, ongeacht het eigen profiel. Dat speelt op drie manieren: voor zelf opgewekte en direct gebruikte warmte, voor zelf opgewekte warmte die via de WKO later wordt afgenomen, en voor woningen zonder eigen panelen die uitsluitend warmte uit het net betrekken. Woningen met een overschot willen daarvoor een vergoeding die hun prijs gelijkwaardig maakt aan die van een woning zonder panelen.
Maar de wet staat bij dit type net alleen een vast tarief per vermogen toe (het vastrecht), niet een tarief per afgenomen hoeveelheid energie. Een vergoeding voor teruggeleverde warmte mag wel. Binnen die regels is een eerlijke prijs lastig. De gekozen oplossing was een maximaal vastrecht met een korting die afhangt van wat je afneemt en teruglevert, plus een terugleververgoeding. Dat benadert een eerlijke prijs, maar is juridisch kwetsbaar, omdat het feitelijk variabele beprijzing via het vaste tarief introduceert. Deze beperking is ook in de nieuwe wetgeving niet weggenomen, waardoor prosumernetten tegen dezelfde barrière blijven aanlopen.
Conclusies en lessen voor andere wijken
De kern: de meerwaarde van een 5e-generatie zonnewarmtenet met WKO en PVT-panelen is in deze bestaande bouw niet aangetoond. Ook de variant zonder panelen (centrale opwek met een drycooler) biedt geen duidelijke meerwaarde. Dat komt vooral door de kosten van het distributienet in bestaande bouw, versterkt door de dure afleverset zonder garantie, en doordat de conceptwijziging de efficiëntie van het net verlaagde.
Pas bij een vastrecht van rond € 25 per maand (variant met panelen) of € 35 per maand (variant met drycooler) (beide inclusief btw) zou het warmtenet weliswaar goedkoper zijn dan gas, maar nog steeds niet goedkoper dan individuele oplossingen. Bij de ontvangen aannemersramingen is zo’n vastrecht niet realistisch. In bredere zin geldt de vraag voor alle ZLT-netten: is de toegevoegde waarde voldoende om de kosten goed te maken?
Een belangrijke les is organisatorisch: toets de kosten vroegtijdig met de markt. Het project ging lang uit van een vastrecht rond € 35 op basis van een oudere studie; pas na de ontwerpfase bleek dat niet haalbaar. Publieke kostenkentallen voor dit soort netten ontbreken nog, waardoor een vroege realiteitscheck moeilijk is.
Vijf lessen voor wie een ZLT-net overweegt
- Toets de aanlegkosten van het distributienet vroeg en met meerdere marktpartijen. In de bestaande bouw met een drukke ondergrond en kans op tegenvallers wegen het grondwerk en tuinherstel zwaar op de begroting.
- Weeg collectieve warmtenetten expliciet af tegen individuele alternatieven, en herhaal die afweging. Propaanwarmtepompen en betere PVT-panelen verschuiven het omslagpunt steeds richting individueel.
- Borg de leverbaarheid en garantie van innovatieve onderdelen voordat het hele ontwerp ervan afhankelijk wordt.
- De huidige warmtewet maakt prosumer warmtenetten niet goed mogelijk. Bij een ZLT-net is alleen een vast tarief per vermogen toegestaan, wat geen goede reflectie is van het feit dat bewoners ook producent van de warmte zijn.
Hoe het verder ging: modulaire bodemenergie
Na het besluit in juli 2025 is de wijk doorgegaan met alternatieven die wél aan de kerndoelstelling voldoen: een duurzame warmteoplossing die goedkoper is dan gas. De huidige richting bestaat uit kleinschalige oplossingen met gesloten bodemlussen (verticale buizen in de grond), in drie varianten: voor één woning, voor twee buren samen, of voor een klein cluster van woningen. PVT-panelen lopen als parallel spoor mee. Onder de naam Woningwarmte (voorheen Zonnewarmte) gaat de wijk hiermee verder, omdat er voldoende aanwijzing is dat deze oplossingen goedkoper zijn dan gas, en zeker goedkoper dan het wijkbrede zonnewarmtenet.
Het grote voordeel van een modulaire aanpak (woningblok voor woningblok, of zelfs woning voor woning) is dat het vollooprisico vrijwel wegvalt: de kans dat een wijkbreed net te weinig aansluitingen haalt terwijl alle investeringen al gedaan zijn. Kostenverlaging wordt gezocht in standaardisatie, clustering en serieel boren. Een haalbaarheidsstudie laat zien dat grootschalige aanleg van (individuele) bodemlussen op wijkschaal mogelijk en kansrijk is.
Zie voor het huidige plan hier.
Veelgestelde vragen
Waarom is het zonnewarmtenet niet aangelegd?
Door een combinatie van vier factoren die elkaar versterkten: de aanlegkosten bleken bijna twee keer hoger dan geraamd, de meerwaarde voor bewoners was beperkt, individuele oplossingen werden snel beter, en de wetgeving past niet bij een prosumernet.
Was er iets mis met het concept zelf?
Nee. Het concept is technisch doordacht en op kleine schaal beproefd. Het knelpunt zit in de kosten van een wijkbreed net in bestaande bouw, afgezet tegen de meerwaarde en tegen de snel verbeterende individuele alternatieven.
Waarom is een individuele oplossing goedkoper, terwijl je dan méér panelen nodig hebt?
Bij het net betaal je vastrecht. Dat vaste tarief weegt zwaarder dan de besparing die je haalt door minder panelen te leggen. De extra panelen bij een individuele PVT-oplossing leveren bovendien meer eigen warmte en elektriciteit op, waardoor het verschil in stroomverbruik klein blijft.
Wat veranderen propaanwarmtepompen precies?
Ze kunnen hogere afgiftetemperaturen halen dan veel gangbare warmtepompen. Daardoor kunnen ook minder goed geïsoleerde woningen betrouwbaar worden verwarmd, zonder een bron zoals een ZLT-net.
Waarom is de tariefwetgeving een probleem?
Een andere belemmering was de beprijzingssystematiek. Het Zonnewarmtenet is een 5e-generatie prosumernet waarin bewoners zowel producent als verbruiker van warmte zijn: warmte wordt decentraal opgewekt met PVT-panelen op de daken, die leveren aan de eigen woning of terugleveren aan het wijknet (WKO) om later te gebruiken. Bewoners hebben wisselende profielen van warmtevraag en -levering, afhankelijk van de woning, de hoeveelheid PVT-panelen en andere factoren.
Een prosumernet vraagt om een beprijzing die zowel geleverde als afgenomen warmte verrekent, zodat iedere bewoner per saldo een ‘eerlijke’ prijs per eenheid energie betaalt — ongeacht het opwek- en afnameprofiel. Dat speelt voor drie situaties:
- Zelf opgewekte, direct gebruikte warmte van de eigen PVT-panelen (de kosten van PVT spelen mee).
- Zelf opgewekte warmte die in de WKO is opgeslagen en later wordt afgenomen (kosten van de eigen PVT én van het wijknet).
- Alleen warmte uit de WKO, voor woningen zonder PVT-panelen — bijvoorbeeld door ligging of te weinig dakruimte (kosten van het wijknet, plus de PVT-kosten van andere huishoudens). Huishoudens met een PVT-overschot willen daarvoor een vergoeding die hun prijs per eenheid gelijkwaardig maakt aan een woning zonder PVT-panelen.
De Warmtewet staat bij een ZLT-net geen beprijzing per afgenomen hoeveelheid warmte toe. Voor warmte die ‘niet direct geschikt is voor ruimteverwarming of warm tapwater’ mag alleen vastrecht in rekening worden gebracht, afhankelijk van het vermogen van de afleverset; woningen met hetzelfde vermogen betalen dus in principe hetzelfde vastrecht. Een terugleververgoeding voor teruggeleverde warmte mag wél en kent in de wet geen prijsrestricties.
Binnen die restricties is een ‘eerlijke’ prijs lastig te realiseren. Het alleen via de terugleververgoeding proberen te regelen geeft een onrechtvaardige kostenverdeling; daarom is ook prijsdifferentiatie via het (wel gereguleerde) vastrecht nodig. Dat leidde tot deze tariefstructuur:
- Iedere bewoner betaalt een maximaal vastrecht met een korting. Die korting hangt af van het saldo van afname en teruglevering en kan oplopen tot 90% of meer — dus verbruikersafhankelijk.
- Een terugleververgoeding voor geleverde warmte, als aanvullende maatregel om de beprijzing ‘eerlijk’ te maken.
Een maximaal vastrecht met een kortingssystematiek die tóch van gedrag afhangt, is juridisch ‘op het randje’, maar door onze jurist als houdbaar beoordeeld. De nieuwe Wcw (Wet collectieve warmte) lost deze beperkingen niet op, wat de ontwikkeling van echte prosumernetwerken — voor zover financieel haalbaar — blijft belemmeren.
Is een warmtenet dan nooit zinvol?
Dat zegt dit project niet. De conclusie geldt voor een laag-temperatuurnet in deze bestaande bouw. In andere situaties (bijvoorbeeld met een goedkope warmtebron of bij nieuwbouw) kan de afweging anders uitvallen. De kernvraag blijft: is de meerwaarde groot genoeg ten opzichte van individuele alternatieven?
Wat is het vollooprisico?
Dat is het risico dat een wijkbreed net te weinig aansluitingen krijgt, terwijl alle investeringen al zijn gedaan. Een modulaire aanpak vermijdt dit, omdat je per woning of per cluster investeert.
Hoe gaat het nu verder in de wijk?
De wijk onderzoekt kleinschalige oplossingen met bodemlussen (individueel, met de buren, of in een klein cluster), met PVT-panelen als parallel spoor. Eerste resultaten zijn positief.
Begrippenlijst
- ZLT-net (zeer-lage-temperatuurnet)
- Een warmtenet dat warmte op lage temperatuur transporteert, met weinig warmteverlies. Per woning verhoogt een warmtepomp de temperatuur naar het gewenste niveau.
- PVT-paneel
- Een dakpaneel dat zowel elektriciteit als warmte levert.
- WKO (warmte-koudeopslag)
- Opslag van warmte (en koude) in de bodem, om die in een ander seizoen te gebruiken.
- Warmtepomp
- Een apparaat dat warmte uit een bron (lucht of aarde) oogst en “oppompt” naar een bruikbare temperatuur.
- SCOP
- Een maat voor de efficiëntie van een warmtepomp over een heel jaar. Hoe hoger, hoe minder stroom nodig is.
- Prosumer
- Een bewoner die zowel produceert als verbruikt; in dit geval warmte.
- Vastrecht
- Het vaste deel van de warmterekening, los van het verbruik.
- Vollooprisico
- Het risico dat een net te weinig aansluitingen haalt om de investering terug te verdienen.
- Drycooler
- Een installatie die de bodemopslag centraal kan aanvullen met warmte uit de buitenlucht.